Archive for September, 2004

Rijpe Kersen (Stefan Hertmans)

Wat stand houdt is oneetbaar.
De oudste huizen worden ingeruild voor nieuwer puin,
en gladde steen reikt al de hand aan ouder puin.

Maar ik heb Under Milkwood in de kamer
en Richard Burton, die als een dronkeman
die in zijn droom met zijn oermoeder slaapt,
waarzeggerij verkoopt op plaat.

Hij droomt haar tweeëntwintig jaar
en bloot onder een wijde, zwarte jurk,
haar benen bruin door landwerk op een onbereikbaar veld.
Haar witte borsten weegt hij op zijn ene hand,
terwijl hij met de andere haar natte lijfje spant.

Men spuit de straten tegen hitte, om tien uur ’s ochtends al.

Ik heb kersen gekocht, ik spoel ze met koel water
en zet de glazen schaal op de granieten tafel
in de verzengde tuin.

’s Nachts wordt het warmer nog,
de pannen liggen in gloeiende rijen op het dak
en stralen door tot op de kamers waar we liggen
en luisteren hoe de ander slaapt.

We slapen geen van beiden.
Ik hoor je zuchten in halfslaap, luider en regelmatig.
Ik denk dat ik mijn naam versta. De overloop
is even, een ogenblik daartussenin,
zo koel als water aan mijn voeten.

Je deur is open. Het raam is open.
In de warmte lig je open op de sprei.
Als ik dan, twee uur later, weer tegen de stroom opga,
ben je al ingeslapen. Het eerste licht ziet de
intieme glinstering die we daar samen achterlaten.

Ik heb kersen gekocht.

Een jonge vrouw gaf me er twee ter keuring in de hand;
ik woog ze, met een klein gebaar, en keek haar heel lang aan.
Daarop vergrootten haar pupillen.
Met zwarte kersen zag ze mij.

Ik kocht het volle pond van haar,
strooide de schoongelikte pitten in het bed
waarop je lachend in het zweet iets over rijpe kersen zei.

De wortels in de dakgoot, jaren later,
voeden zich met het puin van jou en mij,
een boompje `dat diep wordt gesnoeid en duizelt,
lief’, zoals de oude dichter zei.

Het bloeit pas in december, als de bloesems uit de hemel komen,
koud en rillerig als een ballerina in haar eerste lentetij.

We hebben tijd.
Vannacht, als de hitte uit de nok weer op ons valt,
laat ik je Under Milkwood horen.
We liggen er, met lichamen als open oren,
liefde en zweet scanderend bij.

Popularity: 5% [?]

Panorama (Jannah Loontjens)

de avond hangt stil boven de stad
bewegingloos als op een foto,
een filter van lila schemer
verkorrelt het panorama,
dringt erin door
als losse thee
in kokend water

en verkleurt het leven
zoals de dingen
op een oude polaroid
die mij nog later,
wanneer ik hoop te vergeten,
zal herinneren
aan verliefdheidsvlagen
waarin jouw naam wappert
als een verloren sjaal
op schuwe winterdagen

Popularity: 4% [?]

…zag jij misschien (Joost Zwagerman)

…zag jij misschien dat ik naar jou,
dat ik je zag en dat ik zag hoe jij
naar mij te kijken zoals ik naar jou
en dat ik hoe dat heet zo steels,
zo en passant en ook zo zijdelings -
dat ik je net zo lang bekeek tot ik
naar je staarde en dat ik staren bleef.
Ik zag je toen en ik wist in te zien
dat in mijn leven zoveel is gezien
zonder dat ik het ooit eerder zag:
dat kijken zoveel liefs vermag.

Popularity: 12% [?]

Samenhorig (Luuk Gruwez)

Er moet een wereld van verloren dingen zijn
waarin een handschoen, inderhaast vergeten,
het aanlegt met een oude krant,
een sjaal, een zakdoek of een kam.

De handschoen mist de hand niet meer,
de zakdoek hoeft geen jammernis,
en zelfs de sjaal taalt niet naar warmte
van kindermeiden en van moeders.

A1 wat verloren is, is samenhorig.
Maar tederheid die overbodig werd,
het kippenvel dat blijven wou,
de eerste natte droom, het domste lief,

het speelgoed van een kind dat stierf.
En doen alsof men alles kan vergeten,
ofschoon men, plompverloren als een mens,
alleen in het heelal moet zijn.

via Luuk Gruwez bloemlezing

Popularity: 5% [?]

Ja Liefste (K. Michel)

Ja liefste Tot mijn lippen bloeden
Tot het plafond naar beneden komt
Tot de nacht wit wegtrekt
Tot de katten in de tuinen krijsen
Tot het licht de ramen openschuift
Tot er vogels door de kamer vliegen
Tot de buren over het balkon klimmen
Tot de fietsers op straat stilstaan
Tot het wolkendek openbreekt
Tot alles blauw is
Tot alles rood wordt
Tot de tijd ontploft
Tot mijn hart stopt

Popularity: 6% [?]

Nieuwe Liefde (Paul van Ostaijen)

Daar gaat mijn nieuwe liefde waar noordwaarts der stad
de straten saamlopen op dokken, stroom, kanalen en stapelhuizen
en zich weer in eindeloze dokken splitsen en verbreden, ‘t land in.

Alles is nieuw nu, door deze zomer; de onbekende straten
dragen namen van rivieren en van landen, ook van steden;
alles is zó tastbaar wezenlik, spijts het vaag suggestieve van die namerij.

Rijpt nu zang om het geluk dat lacht uit de stapelhuizen,
speelt over de blinkende rails van de spoorweg,
de ijzeren bruggen en de elevators. Mijn nieuw geluk brandt.

O als de zon zinkt, zet een laatste maal de stalen wil in rood
en blakert op de rode, kubies-gestapelde bakstenen!
O het verlangen van die rode stenen te breken uit de rode huls,

te spatten hun leven, gelijk een zot geweld, tot aan de zon,
die hun leven schonk, in gek begeren van het laaiend lijf.
De laatste omarming van de minnaars voor de dagelikse dood.

Ik omhels het geluk dat me verlost uit het tingeltangelleven
en uit de paar half-schuine etablissementen, — een paar danseressen,
een danser-diseur, een klein, arm orkest en een familjaire waardin,–
waar mijn leven te zieltogen lag.

De zon brandt, de zon breekt, de zon barst.
Overal is geluk; in deze rode trem die voorbij snort
de brug af, geluk dat zich weerspiegelt in de ogen van mijn welbeminde.

En ’s avonds zegepraalt het geluk in de hoog-ijl-gele globes,
boven de spoorweg en aan het station; het geluk klingelt
uit een danszaal en verovert de ganse straat.

Het geluk is tussen de lippen van dit kind en de gepletterde kers,
gelijk het is tussen de kerselippen van mijn lief
en van uw lief, o jonge man die ginds gaat, o broeder, mijn gelijke.

Het geluk is een dwaze maagd die zich laat zoenen
door elke, sterke, jonge man.

Popularity: 7% [?]